ScienceOnlineLeiden

Blog

Hoe rook Leiden in de Gouden Eeuw?

Annette ter Haar - 11 september 2016, 0 316

Hoe rook Leiden in de Gouden Eeuw?

Leiden was een stinkgat, zegt Roos van Oosten vol overtuiging op de vraag hoe het rook in Leiden in de tijd van Rembrandt.

Roos van Oosten is een geboren en getogen Leidse en werkt als archeoloog, gespecialiseerd in beerputten. ScienceOnline Leiden spreekt met haar om informatie te verzamelen voor het programma ‘Rembrandt meets science’. Rembrandt’s eerste serie Leidse schilderijen had een thema: de vijf zintuigen. In een avondvullend programma op de Nacht van Kunst en Kennis komen ze allemaal aan bod: het oog, het oor, de tast, de tong en natuurlijk de neus.

Rembrandt Harmenszoon van Rijn wordt op 15 juli 1606 in Leiden geboren. Het is een roerige periode. Leiden was een klein provinciestadje met relatief veel ruimte en groen. Maar dat veranderde snel na de Val van Antwerpen op 17 augustus 1585. Na een beleg van veertien maanden trekken meer dan 60.000 protestantse kooplieden en kenniswerkers naar het Noorden, naar Amsterdam en naar Leiden. De stad raakt al snel overvol. Huizen staan rug aan rug. Erven en achtererven worden bebouwd. Zonder erf is er niet langer plaats voor de beerput, de middeleeuwse septische tank met een privaat eromheen. Een privaat was een soort minihuisje dat om het toilet heen was gebouwd. Secreetwerkers leegden de beerputten ‘s nachts om overlast te beperken.

Er wordt – eerst oogluikend en later op grote schaal – toegestaan dat er bakstenen riolen worden aangelegd die rechtstreeks lozen op de gracht. Het trekken van grote aantallen nieuwkomers was belangrijk voor het overleven van de stad, welvaart had prioriteit en dus werden het er steeds meer. Zo was Leiden aan het eind van de Gouden Eeuw een stinkgat. Letterlijk. Er waren natuurlijk gradaties van stank; hoe breder het water en hoe groter de stroming, hoe gunstiger het was. Een paar keer per week werd het grachtenwater de stad uitgepompt met een rosmolen die werd aangedreven door een paard. Het water werd afgevoerd naar de stadspolders via de vuilsloot en de stinksloot. In 1614 wordt het Zoetermeerse meer drooggelegd en dit heeft effect op de doorstroming van het water in Leiden. De vervuilende lakenindustrie in combinatie met de alom aanwezige faecaliën moeten een helse stank veroorzaakt hebben, zeker in de zomer.

Drie eeuwen later was de stank nog steeds een groot probleem in Leiden, getuige de publicatie van J.H. Korswagen uit 1926 met de titel ‘De oorzaak van de stank der Leidse grachten’. Dit zal mede een rol gespeeld hebben in de bereidwilligheid om de Leidse grachten te dempen in de jaren zestig van de vorige eeuw. Er zwom geen vis meer in het water door het gebrek aan zuurstof. Rond 1980 werden de laatste huizen in Leiden van riolering voorzien.

Maar terug naar de tijd van Rembrandt. Wat rook je nog meer? Een mengeling van verbrande turf, de geur van dieren, versgebakken brood, bier en kruiden. Er was nauwelijks straatverlichting, dat kwam pas eind 18e eeuw. Er liepen veel dieren in de stad: varkens, kippen en natuurlijk paarden, het vervoer in die tijd. De voorkant van het huis was semi-openbaar: werkplaats en winkel. Daarachter bevond zich de huiskamer en keuken: de hele dag stonden er stoofpotjes op het vuur. Er werd vooral zittend gekookt werd: dat gold zelfs voor pannenkoeken bakken! 

Wil je met je eigen neus terug naar de Gouden eeuw? Kom dan op 17 september van 21.15 tot 21.45 uur naar het Academiegebouw in Leiden voor Ruiken met Rembrandt. Geurexpert en kunsthistorica Caro Verbeek neemt je mee naar de Gouden Eeuw.